Gele rib

Er zat een oudere jongen in mijn klas, hij was een jaar of zestien. De kinderen zeiden dat hij Frank heette en ik geloofde ze, pas veel later begreep ik dat het kort was voor Frankenstein. Ze vertelde mij dat Frank achtergebleven was, ‘retarded’ noemden ze hem. Ze vertelde dat hij als zesjarige werd aangereden, op het drukke kruispunt voor de winkel op Main Road. Na het ongeluk groeide zijn lichaam gewoon door maar zijn hersens niet meer. Wij waren allebei lang, maar wat mij betreft stopte de vergelijking daar. Ik wilde helemaal niet zo lang zijn als hij en ik wilde vooral niet langer zijn dan de andere normale kinderen in mijn klas.

Onze meester vertelde dat God altijd je gebeden beantwoordt, en dat God ‘merciful’ is. Ik wist niet wat dat Engelse woord betekende, maar begreep uit de manier waarop hij dat vertelde dat het iets goeds moest zijn. Ik werd niet katholiek opgevoed, niet van huis uit, maar van God ontsnappen kon op school niet. Hij was overal. Ik paste me aan.

Er werd veel gebeden. Op allerlei verplichte momenten tijdens de dag moesten de Holy Marys en Our Fathers hardop gezegd worden. En omdat er zo vaak gebeden werd, rafelden de kinderen de woorden af als een soort mantra zoals Boeddhisten doen op tv, monotoon en zangerig, afzonderlijke lettergrepen niet meer herkenbaar. Ik wist niet eens waarvoor ik bad maar zong fonetisch mee alsof ik met een Engels popliedje op de radio meezong.

In de rustige uurtjes, als de kinderen Gealic kregen, zei ik mijn privé gebeden in mijn hoofd. Ik bad voor mijn lengte. Ik wilde niet meer groeien want als ik zo doorgroeide zou ik nog langer worden dan Frank. Ik gruwde van de namen die zij mij dan zouden noemen. Zelfs nu werd me al af en toe gevraagd hoe het weer hierboven is, hilarisch vonden ze dat en ik stond elke keer weer met een mond vol tanden. Na school, ging ik meteen naar mijn kamer. Op blote voeten met mijn hakken tegen de muur, tekende ik een streepje boven mijn hoofd. Met dat streepje controleerde ik Gods werk, en of hij mijn gebeden wel beantwoordde.

Wij hadden twee leraren. De één gaf alles behalve wiskunde, dat deed Mr. Brown. Hij was onze schooldirecteur. Dat gaf wiskunde iets gewichtigs, iets belangrijks. Mr. Brown was altijd gekleed in een grijs pak. Niet donker en ook niet licht maar midden grijs. Hij had een vierkant gezicht en midden grijs haar dat in een zijscheiding gekamd was. Aan één kant van zijn hoofd groeide het haar tot ongekende lengtes, hiermee probeerde hij de kale bovenkant van zijn hoofd te camoufleren, en kamde het lange stuk over de glanzende roze huid naar de andere kant van zijn hoofd. Als het buiten waaide had hij een vreemd soortig asymmetrisch kapsel dat hij zenuwachtig met zijn linker hand in model probeerde te houden.

Tijdens de eerste les zette hij twee punten op het bord, en noemde ze A en B. Hij vroeg ons naar de kortste route tussen die twee punten. Jongens met rode gezichten staken hun handen in de lucht en gisten uitgelaten als jonge honden naar het goede antwoord.

Maar niemand wist het.

De meester grijnsde en noemde mijn naam.

‘Een rechte lijn,’ zei ik en voelde mijn wangen gloeien.

‘Heel goed,’ zei hij, en knipoogde naar mij.

Ik was speciaal, tenminste in zijn klas voelde ik me speciaal. Ik kreeg ook een speciaal taakje, elke dag mocht ik een weerkaartje tekenen en die vervolgens in het raamwerkje doen die speciaal voor mij aan de muur gehangen was. Elke dag kon ik een regenwolkje tekenen en daarachter half verscholen een zonnetje met gele stralen in een licht blauwe of zacht grijze lucht. Het weer was weinig veranderlijk, zo’n beetje elke dag brak wel de zon door en ook elke dag regende het, soms kort en soms wel een paar uur aan een stuk, maar wat betreft mijn weerkaartjes maakte het niet uit, regen was regen, en dat kwam elke dag voor. Na een poosje dezelfde kaarten getekend te hebben vond ik het saai worden en besloot iets van de natuur toe te voegen. Onder mijn prachtige luchten tekende ik narcissen en krokussen. Sommigen met kleine glinsterende regendruppeltjes klevend aan het bloemblad, en anderen verstrengeld met weelderige groene grassprieten en bladeren in allerlei tinten groen en blauw. Het hongerige papier zoog de kleurstof zo gretig uit de punten van mijn viltstiften dat er ronde stippen op het witte vlak ontstonden. Je kon precies zien waar ik mijn stift neer gezet had en waar weer opgetild. Al die stipjes begonnen mij te irriteren. Dus probeerde ik ze te voorkomen door de stift heel zacht en vluchtig op het papier te laten rusten, maar zelfs een fractie van een seconde maakte geen verschil. Overal zag ik toch fel gekleurde stippen ontstaan.

Ik experimenteerde. Als ik de viltstift in mijn mond deed en hem met mijn tong nat maakte kon ik weliswaar met een egalere streep tekenen maar toch die stipjes bleven overduidelijk zichtbaar, ze verergerde zelfs. Ik ontdekte een patroon in al die stippen. En ik realiseerde me dat ik daar juist gebruik van kon maken in plaats van ze te verafschuwen. Vervolgens werden mijn kaarten steeds kleurijker en weelderiger, gevarieerder, in de plantengroei, en de luchten maar ook in mijn kleurgebruik en mijn stippentechniek.

Mr. Brown complimenteerde mijn weerkaarten, aaide mij over mijn schouder, aarzelde heel even met zijn warme hand in mijn nek. Ik keek naar het kippenvel rond mijn horloge op mijn pols, het enige stukje blote huid dat ik onopvallend kon bekijken. Elke dag voelde ik mij door zijn aandacht meer gevleid.

Hij gaf ons passers en wij moesten cirkels tekenen. We scherpten onze kleurpotloden zoals Mr. Brown ons dat voordeed, en legde ze op kleur op onze schoolbanken, van groenen naar blauwen naar paars, rood, oranje, geel net als hij ons voordeed. Mijn hart huppelde bij het aanschouwen van al die tinten die overliepen van de ene naar de andere kleur. Om de beurt schroefden we de potloden vast in onze passers. Met al die kleuren konden we prachtige tekeningen maken, prachtige bloemen, door maar net de passer iets te verplaatsen in onze ‘circumferances’. ‘Circumferances,’ ik giechelden toen ik het uitsprak, ‘weer een Engels woord erbij geleerd.’ Ik fluisterde het woord tegen mezelf terwijl ik tekende, mijn ontembare honger voor woorden even gestild. Ik wilde praten zoals de andere kinderen, vloeiend en met hun prachtige zangerige accenten, net als zij deden.

Mr. Brown pakte de tekening van Frank en hield het omhoog voor de klas. Frank keek naar mij en lachte verlegen. Ik keek naar zijn tekening. Hij had geen cirkel getekend, de omtrek niet kunnen vinden, misschien ook wel helemaal niet geprobeerd. Hij had waarschijnlijk niet eens zijn passer in het papier geprikt, maar alleen met het potlood een huisje getekend, de passer werkeloos in de lucht stekend. Het huisje had een schoorsteen en ervoor ergens onderaan het geblokte vel stonden twee lang gerekte figuurtjes, één had een geel corduroy pak aan, de gele strepen over het lijf gekrast. Ik keek naar mijn, in geel gehulde benen en de gele mouwen van mijn jack, en voelde mijn hart versnellen. Ik keek weer naar zijn tekening en zag de handen van de figuurtjes, die hij als harken had getekend, ze overlapte elkaar alsof ze hand in hand stonden, en op hun ronde gezichten hadden ze een brede glimlach.

‘Kijk,’ zei Mr. Brown, ‘de passertekening van onze kunstenaar.’

Mr. Brown keek Frank indringend aan. ‘En wie zijn dat?’ vroeg hij wijzend naar de twee figuurtjes.

‘Zij’, hij wees naar mij, ‘en mij,’ zei Frank trots. Een snottebel droop uit zijn neus en langs zijn mondhoek tussen zijn lippen de donkere holte van zijn mond in. Frank likte met zijn tong over het slijm alsof hij een melksnor had. Mijn keel brandde van walging.

‘Zij en mij?’ herhaalde Mr. Brown op een sarcastische toon en keek de klas rond.

‘Yes sir,’ zei Frank als een jongetje van zes maar met een stem waarin de baard al gegroeid was.

Hij lachte en was zichtbaar blij dat zijn tekening als voorbeeld werd genomen. Hij keek naar mij, alsof hij er nog wat toe aan wilde voegen, nog wat tegen mij persoonlijk wilde zeggen.

‘Vind je haar leuk?’ zei Mr. Brown en grijnsde naar de klas.

De hele klas brulde van het lachen. Frank had zijn tong uit zijn mond hangen, dat deed hij vaker als hij onzeker was, of geconcentreerd, dan druppelde spuug op zijn shirt. Soms leek het alsof hij een slabber voor had maar dat was de verkleuring van de vochtige plek in de stof. Hij lachte ongemakkelijk.

Mr. Brown keek mij vragend aan, verontschuldigend, en pakte mijn schrift, hield het omhoog.

Met de passer had ik bloemen getekend, door de passer net iets te verschuiven leek het alsof ze heen en weer wuifden op een bries. Met verschillende groentinten had ik de bladeren getekend die de kelken omhelsden en nog frisser en kleurijker deden lijken.

‘Hoe heb je dat allemaal gedaan,’ fluisterde een stem achter mij vol bewondering. Ik keek naar Frank, zijn verwarde blik en schaamde me nog te erg om me trots te voelen op mijn tekening.

Elke dag controleerde Mr. Brown onze huiswerkopdrachten. Hij vroeg dan willekeurige jongens naar voren te komen met hun huiswerkschriften. Als hij het huiswerk niet naar behoren gemaakt vond, liet hij een lat van ongeveer vijfentwintig centimeter uit zijn mouw glijden. ‘De cane,’ noemde de kinderen die lat, en als ze het woord uitspraken keken ze met een gespannen blik. Mr. Brown droeg het altijd verstopt in de binnenkant van zijn rechter mouw, en op willekeurige momenten liet hij het, net als bij een tovertruc, uit zijn mouw glijden. Met de cane sloeg hij op de handen van de jongens. Op de handpalmen, totdat ze vuurrood kleurden en paarse striemen vertoonden waar het hout de huid raakte. Mr. Brown had dan niet een gezicht alsof hij ervan gruwde maar iets fonkelden in zijn ogen. Nooit vroeg hij meisjes naar voren, alleen maar jongens. Soms moesten ze huilen, en soms vertelden ze smekend de reden van het niet afgemaakte huiswerk. Maar meestal ondergingen ze hun straf met hun kaken op elkaar geklemd, en gaven geen weerwoord. Ik verstijfde op die momenten, mijn gezicht voelde als een masker, alsof mijn huid niet flexibel was maar hard en koud zoals plastic. Ik schaamde me dat ik erbij moest zijn, getuigen was en niks durfde te zeggen. Ik voelde de vernedering van de jongens.

Tijdens de lunchpauze gingen we buiten spelen. We hadden twee weilanden tot onze beschikking en de jongens ook twee. Hun weilanden lagen achter de onze, zij moesten verder lopen want wij waren ‘het zwakkere geslacht’, dat had Mr. Brown gezegd en dat riepen ze ook op een spottende toon terwijl ze voorbij renden. ‘Ye’re the weaker sex,’ riepen ze tartend. ‘Ye’re weak sissies.’

Achter hun weilanden stroomde een beek. In de zomer gooiden de jongens lijnen uit, visdraad met aan de uiteinden vishaakjes geknoopt. Mr. Brown zei dat het een dooie beek was. Uit de rioolbuizen in het dorp werd een walgelijk braaksel van menselijke uitwerpselen geloosd in het schone stromende water. ‘Vomit,’ dat is het woord dat Mr. Brown gebruikte, en ik zag het ook zo voor me, een walgelijk dikke smurrie van stront dat langzaam het schone beekje inrolde en oploste, het water bruin maakte. Af en toe bleef er weleens toiletpapier aan de haakjes hangen, en ook andere dingen. Een keer zag ik Frank met een rode kanten slip rond rennen, de jongens er allemaal achter aan, ze probeerden het van hem af te pakken maar hij was ze te snel af. Hij wilde het aan mij geven, ik negeerde hem, deed alsof hij lucht was. En iedereen lachte overdreven hard.

Soms kwamen de jongens op onze weilanden spelen, dan hadden ze een spelletje bedacht met Frank als hoofdpersoon. Frank gehoorzaamde iedereen, ook hen. Giechelend als kleuters stonden ze op een afstand, terwijl Frank achter de meisjes aan rende. Gillend renden zij weg, want Frank was sterk, zo sterk als een volwassen man. En hij was ook snel.

Ineens boog hij af naar mij toe en pakte mij van achteren, mijn armen geklemd langs mijn lichaam. Hij tilde me op, mijn voeten bungelden boven de grond. Ik wrikte met mijn lichaam en zwaaide heftig met mijn benen, maar hij was te sterk, zijn grip onverzettelijk. Hij lachte op een eentonige manier zoals een zombie en ik gilden als in een horrorfilm. Hij rook aan mijn haar en rolde zijn tong langs mijn nek, net onder de haarlijn, een natte koude plek achterlatend. Ik voelde zijn korstige neus op mijn huid en zijn sterke armen, hard en onwrikbaar om mijn lichaam geklemd. Mijn hart ging tekeer en ik wilde die vieze slijmerige plek in mijn nek droog vegen maar kon mijn armen niet los krijgen. Zijn warme adem stootte tegen mijn nekvel en kroop tussen mijn haren over mijn hoofd. Ik voelde harde stoppelhaartjes van zijn baard in mijn huid prikken terwijl zijn tong nogmaals langs mijn nek gleed, en nogmaals, steeds maar weer opnieuw. Ik rook zijn likkende adem.

‘Hou op,’ gilde ik.

De andere meisjes probeerde Frank af te leiden, met hun hockeysticks probeerden ze hem in zijn knieholtes te raken zodat hij zijn benen wel moest buigen en daardoor mij los zou moeten laten omdat hij anders zelf zou omvallen. Mijn stem raspte door mijn keel van het schreeuwen, en voelde heet en schor. Ik wist dat het allemaal een spel was maar ik walgde van die koude natte plek in mijn nek en Franks slijmerige mond, de geur van zijn adem en zijn walgelijke snotneus. Eindelijk verslapte zijn greep, rolde zijn hoofd in zijn nek, legde zijn handen in slow motion op zijn borst en liet zich vallen op de grond als een cowboy die in zijn hart geschoten was. Voor hem was het allemaal theater, dat wist ik ook wel maar ik wilde dit niet. Ik walgde van hem hoe hij daar op de grond lag, lachend met eentonige trage gutsen van geluid. Zijn hoofd achterover in het vochtige gras, zijn roze adamsappel omhoog stotend tegen zijn melkwitte transparante huid. Oké, hij voelde zich dan misschien wel zes jaar en hij vond mij leuk maar dit ging me te ver. En ik had genoeg van deze vreemde wereld, schoon genoeg.

Toen de bel ging ben ik nog even naar Mr. Browns kantoor geglipt, ik wilde niet dat de anderen mij zagen. Mr. Brown zat achter zijn bureau, hij lachte vriendelijk. ‘Ga zitten,’ zei hij.

Ik wilde niet zitten, ik wilde snel terug naar het klaslokaal, naar mijn les, voordat iemand merkte dat ik er nog niet was. Ik vertelde hem over Franks gedrag. Mr. Brown was erg begripvol hij kon zich goed voorstellen dat ik dat vies vond, zei hij. Zijn gezicht glunderde, terwijl hij zijn haar over zijn hoofd streek. Ik zei dat het niet helemaal Franks schuld was, dat de jongens hem opstookten maar genoeg is genoeg zei ik. Ik was trots op mezelf, mijn daadkracht, mijn Ierse uitspraak. Mr. Brown zou met Frank praten en ook de andere jongens uit de klas, misschien zelfs met Franks moeder. Het zou de laatste keer zijn geweest. ‘You mark my words,’ zei hij.

Mr. Brown liep met mij mee naar het klaslokaal, ik wilde niet dat hij mee liep, ik twijfelde wat ik moest doen. Maar hij liep snel, te snel, zelfs zo snel dat ik niet de deur voor hem open kon  houden. Iets waar hij vorige week een jongen nog met zijn cane voor gestraft had. Hij wachtte bij de deur en hield hem voor mij open, en iedereen keek naar mij terwijl ik snel hem voorbij schuifelde en naar mijn plek liep. Ik voelde hun blikken maar probeerde oogcontact te vermijden. Alles komt goed, stelde ik mezelf gerust. De meisjes die achter mij zaten keken mij indringend aan toen ik langs hen schoof naar mijn bank. Ik probeerde een lachje te forceren, ze gerust te stellen, maar ik voelde te veel spanning. Het was de manier waarop ze mij aankeken. Ik voelde hun blikken in mijn rug terwijl ik ging zitten.

‘Frank,’ zei Mr. Brown.

Mijn voeten werden zwaar, dit was niet mijn bedoeling. Hij moest gewoon de jongens als groep aanspreken, op een normale manier. Hij zou ze toch aanspreken als groep? Please God, niet de cane, Frank is gehandicapt, het zal toch niet waar zijn. Please God, please God niet de cane. Niet de cane, please God.

‘Frank would you come over?’

Frank schokte met zijn schouders. Hij schrok zichtbaar, zijn witte wangen werden fuchsia rood. Hij schuifelde naar Mr. Brown als een puppy die stout was geweest, zijn hoofd omlaag gebogen, zijn blik vanonder zijn stevige wenkbrauwen. Mr. Brown liet de lat uit zijn mouw glijden en wij wisten allemaal wat er ging gebeuren. Mijn hartslag versnelde.

‘Maar het is niet zijn schuld,’ fluisterden een meisje achter mij. ‘Dit is jouw schuld.’

‘Mijn schuld?’ zei ik. Mijn schuld? Iedereen denkt dat dit mijn schuld is? Ik probeerde iets te verzinnen maar mijn hersens wilde niet meewerken.

Mr. Brown nam Franks hand in de zijne. ‘So you like playing games?’ zei hij.

Frank keek schaamtevol, betrapt maar op een jolige manier, alsof hij nog geloofde dat het allemaal goed ging komen.

‘I do,’ zei Frank terwijl hij de klas in glimlachte, met zijn vreemde Frankenstein glimlach zoals alleen Frank dat kon. ‘I do,’ zei hij nogmaals en keek mij aan, alsof hij voor het altaar stond en mij zijn ja-woord gaf.

Mr. Brown zei dat hij zijn vingers moest spreiden maar Frank hield zijn hand in een vuist. Hij had het blijkbaar nog niet meegekregen als de andere jongens geslagen werden, dat ze hun vingers moesten spreiden, de handpalm omhoog, dat het dan de minste pijn deed. Het dagelijks terugkerend ritueel was zo gewoon geworden dat het aan Frank voorbij was gegaan. Mr. Brown beet in zijn onderlip, hij zwiepte de lat omhoog en sloeg met een rood aangelopen hoofd op de vuist van Frank, op zijn knokkels. Mr. Browns gezicht puilde over zijn witte boordje van de inspanning.

Net voordat de lat Franks vingers raakte speelde er nog een verlegen lach om zijn lippen, maar toen het lat neerkwam veranderde zijn gezichtsuitdrukking voortdurend alsof hij niet wist hoe hij moest kijken, alsof hij in de eerste instantie niet eens besefte wat hij voelde. Zijn vingers spreiden zich als de vleugels van een geschrokken vogel. Mr. Brown sloeg hem nogmaals, ditmaal op de achterkant van zijn vingers. Er ontsnapte een korte indringende kreet uit Franks mond. De tranen liepen over Franks wangen. Na de derde klap stond ik op, ‘Sir… please stop.’ Mr. Brown keek mij aan. Tranen druppelden van Franks kin en verspreiden zich als donkere stippen in de al vochtige stof van zijn shirt. Hij maakte geen geluid meer, alleen maar overdreven grimassen als een klein kind, huilend zonder geluid te maken. Mr. Brown liet Franks hand los en keek mij aan, zijn ogen gaven mij een verschrikkelijk gevoel, alsof hij dit voor mij deed. Please God, please God, dacht ik.

‘Put that filthy thing back in your mouth,’ zei Mr. Brown terwijl hij tegen Franks bolle tong tikte met de cane en het vervolgens terug stopte in zijn mouw. Hij trok zijn pak recht en keerde ons zijn rug toe, aarzelde en liep vervolgens terug naar zijn kantoor, zonder nog maar iets tegen de jongens te zeggen, die lange sliert haar dat het kale stuk hoofdhuid moest camoufleren, bungelde op zijn schouder.

Mijn wangen voelde alsof ik te dicht bij het openvuur had gezeten. Mijn slapen klopten, mijn zicht onscherp van schaamte. De andere kinderen fluisterden, hun stemmen suisden om mij heen maar ik luisterde niet. Ik wilde ze niet begrijpen, ik wilde naar huis. Onze leraar begon met de aardrijkskundeles, hij zei niets over wat er gebeurd was. Hij begon gewoon over allerlei natuurverschijnselen, bergformaties, alsof dat belangrijk was. Ik had geen zin meer om nog wat te leren, niet van hem, ik bepaalde zelf wel wat ik deed.  Ik pakte mijn kleurpotloden uit mijn tas en mijn wiskundeschrift. Sloeg hem open bij mijn passertekeningen. Maar dat beeld van Franks gezicht net voordat de lat zijn vingers raakte, dat lachje, vol vertrouwen, alsof alles goed ging komen, dat bleef maar door mijn hoofd spoken. Ik kraste met mijn zwarte potlood over de tekeningen, ik drukte hard met de vers geslepen punt, zo hard dat mijn potlood door het papier ging, ik kraste door. Ik keek naar Frank, de jongens ontfermde zich om hem, gaven hem zijn boeken aan en kleurpotloden. Frank hield zijn vingers in zijn mond, terwijl hij zachtjes huilde, hij keek niet naar mij.

Ik dacht aan het visdraad en de haakjes die de jongens altijd bij zich hadden, ik dacht aan manieren waarop ik wraak kon nemen. Ik wilde het er niet bij laten zitten. De bel ging, iedereen stormde naar buiten. Ik wilde de jongens spreken, we moesten iets doen, dit konden we niet over onze kant laten gaan. Ik pakte mijn tas in, en liep naar het raamwerkje aan de muur, pakte het weerkaartje en scheurde het door midden, en toen nogmaals doormidden, en nogmaals en nogmaals totdat het papier niet meer scheuren wilde. Ik smeet de snippers over de lerarentafel en liep de gang op. Mijn rode jas met nep bonte kraag lag op de grond. Hij was kennelijk van de kapstok gevallen. Modderige voetafdrukken liepen  de volle lengte van de jas, van de zoom tot aan de harige bontkraag. Ik negeerde de modderklodders en deed hem aan.

Buiten begon het al donker te worden. Het schoolplein was bijna uitgestorven, de meisjes uit mijn klas hadden niet op mij gewacht. Buiten het hek van de school stond een groepje jongens, ik herkende een paar uit mijn klas, maar er stonden ook nog grotere jongens bij. Ze keken allemaal tegelijk in mijn richting terwijl ik het pad op liep. Ik hoorde meisjes achter mij, hun stemmen giechelend, meisjes uit de vijfde. Ze fluisterden dat de grote jongens Franks broers waren.

‘Welke?’ riep een van de grotere jongens terwijl hij aanstalten maakte om in mijn richting te lopen. Hij had gemene starende ogen en keek mij aan als een agressieve kat. De anderen volgden, allemaal keken ze met harde ogen.

De meisjes renden mij voorbij, langs de groep jongens, het hek uit en verdwenen achter de heg de weg op.

Een van de kleinere jongens keek mij aan. Hij maakte zich los uit de groep, bleef bij het hek staan. Ik herkende hem, hij had mij laatst nog geholpen om me van Frank te bevrijden, toen alles nog een spel was. Zijn donkere pony hing langs zijn bruine ogen. Hij keek weg, en zei:

‘Die daar… in die gele rib.’

***

© Anita Salemink 2013. Unauthorized use and/or duplication of this material without express and written permission from this blog’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full and clear credit is given to Anita Salemink with appropriate and specific direction to the original content.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s